'Wil je voortaan Nederlands tegen me praten, mama? Ik versta geen
Gronings.' Nou, nee natuurlijk, maar wat veroorzaakte toch de frustratie die
kleuterdochter ertoe bewoog ineens te beweren dat ze geen Gronings verstaat? Na
enig doorvragen kwam het eruit: het minieme klankverschil tussen verschillende
woorden, zo bleek.
Ergens in de aanloop naar Pasen kreeg ze een broodhaantje, dat gedurende
een reis in de auto herhaaldelijk als duif werd betiteld. Nu is een duif ook
niet wars van symboliek, maar hier betrof het dus een haantje - in het Gronings
een (stoet)hoandje. Zo noemde ik het dan ook. Dochter vond het toch duidelijk geen hondje en had daarmee
een punt, maar ik doelde ook niet op een 'hondje', maar op een 'hoandje' - en
dat allemaal in een rijdende auto, met nog een Jip & Janneke-cd op en een
honderduit pratende peuterdochter op de achterbank.
Dat het Nederlandse haantje en hondje bij realisatie eveneens slechts een klinker van elkaar verschillen was gelukkig genoeg om de frustratie weg te nemen. Er kon weer gewoon Gronings gepraat worden. De broodduif was dan ook veel te lekker om te lang stil te staan bij de uitspraak van woorden.